C14 PAR.1 3. Dichtheid

3. Dichtheid

De luchtkanaalnetten moeten voldoen aan volgende eisen in verband met hun luchtdichtheid:

​Klasse A ​Niet van toepassing.
​Klasse B ​Voor de zichtbare kanalen gelegen in de lokalen die ze bedienen en waarbij het relatieve drukverschil met de omgeving 150 Pa niet overschrijdt.
​Klasse C ​Voor de kanalen niet gelegen in de lokalen die ze bedienen, voor niet zichtbare kanalen en voor kanalen waarvoor het relatieve drukverschil met de omgeving 150 Pa overschrijdt. 
Voor alle extractiekanalen die in overdruk kunnen staan binnen de gebouwen, met uitzondering van het verloop in de technische lokalen.
​Klasse D ​Indien bepaald door het bijzonder bestek.
 Tab. C14.1.-1

​Men spreekt van kanaalnetten van lage druk, middendruk of hoge druk naargelang van de maximale druk P die in het betrokken kanaalnet kan heersen.

Zo worden drie drukklassen gedefinieerd:

​Lage druk ​0 Pa < P <= 400 Pa
​Middendruk ​400 Pa < P <= 1000 Pa
​Hoge druk ​1000 Pa < P

De maximum toegelaten negatieve druk is onafhankelijk van de drukklasse en bedraagt 500 Pa voor kanaalnetten met luchtdichtheidsklasse B, en 750 Pa voor kanaalnetten met luchtdichtheidsklasse C of D.

Het bijzonder bestek vermeldt voor ieder kanaalnet de vereiste drukklasse.​

De volgende figuur (Fig. C14.1.-1) duidt de toelaatbare lekfactor aan, in functie van de maximale druk: 

 
 Fig. C14.1.-1

Het toelaatbaar lekdebiet van het hele net onder dienstdruk moet gevoegd worden bij het nominale debiet (som van de debieten van de eindeenheden) van de ventilator.

Alle luchtkanaalnetten van klasse B, C en D moeten voor de eerste voorlopige oplevering effectief op lekdichtheid beproefd worden door de aannemer, hetzij in hun totaliteit, hetzij per onderdelen aan te duiden door de aanbestedende overheid. De aannemer voert de proef uit zoals beschreven in art. E5.par. 5. van dit typebestek en levert een testverslag af conform NBN EN 12237.

Minstens 30 % van de totale oppervlakte van de kanalen zal beproefd worden. De te beproeven gedeeltes worden aan de keuze van de aanbestedende overheid overgelaten.

Indien deze eerste proeven geen voldoening geven zal de aannemer, na de nodige aanpassingswerken, het gebrekkige gedeelte opnieuw beproeven evenals een bijkomende 30 % van de totale oppervlakte.

Indien deze tweede proef nog steeds geen voldoening geeft zal de aannemer, na de nodige bijkomende aanpassingswerken, de totale oppervlakte beproeven.

Indien deze proef op de totale oppervlakte nog steeds geen voldoening geeft zal de aannemer verbeteringswerken gevolgd door proeven blijven uitvoeren tot de proef op de totale oppervlakte voldoening geeft.

Na de proeven van de aannemer worden er controleproeven verricht door het bestuur.

Al deze proeven gebeuren onder toezicht van de leidend ambtenaar, die zich steeds het recht voorbehoudt bijkomende proeven te laten doen door een extern organisme.

Indien deze bijkomende proeven geen voldoening geven zijn de kosten ervan ten laste van de aannemer.​​​