4. Plaatsing van de kanalen

  • De bevestigingselementen (stangen, profielen, ...) zijn van gegalvaniseerd staal.
  • Wanneer de kanalen opgehangen zijn, dan bestaan de bevestigings-elementen uit stangen waarvan de uiteinden van schroefdraad voorzien zijn. Deze uiteinden zijn door moeren bevestigd aan horizontale profielijzers waarop de rechthoekige kanalen rusten of aan beugels voor de bevestiging van ronde kanalen.
  • De bevestigingen en ophangingen van de luchtkanalen worden zo uitgevoerd dat ze een eenvoudige demontage toelaten. De bevestigings- en ophangingsmiddelen moeten een regeling van de luchtkanalen in beide richtingen toelaten.
  • Wanneer de kanalen geïsoleerd zijn, dan mag de isolatie niet onderbroken worden op de plaats van de ophangingselementen.
  • Er wordt een soepele band aangebracht tussen de steunen en de kanalen om het overbrengen van trillingen te vermijden, conform de vereisten van het hoofdstuk D akoestiek.
  • Het is ten strengste verboden gelijk welke kanalen in aanraking te laten komen met metselwerk, mortel of beton. In alle gevallen moet een inerte waterdichte isolatie tussengeplaatst worden.
  • Alle doorgangen door de wanden gebeuren zonder rechtstreeks contact tussen het kanaal en het gebouw. Daartoe zijn de openingen doorheen de wanden 40 mm groter dan de buitenafmetingen van de kanalen om zodoende een ruimte te creëren van ongeveer 20 mm rondom de kanalen. Na het monteren van de kanalen, wordt deze ruimte over de ganse omtrek en over de gehele diepte van de doorboring zorgvuldig gevuld met een soepel materiaal zoals glasvezel of minerale wol. De doorboring wordt langs beide zijden van de wand dicht gemaakt door een laag niet verhardende mastiek met een diepte van minstens 20 mm.
  • Er worden eventueel bijkomende maatregelen getroffen in functie van de akoestische voorschriften, de brandweerstand, enz.