2. Mechanische weerstand


2.1. Principe

Het constructiesysteem van de kanalen wordt getest op gebied van de mechanische weerstand, volgens de methode beschreven in punt 2.3. hierna.

De dikte van de wand mag evenwel nooit kleiner zijn dan 0,4 mm ± 0,08 mm.

2.2. Terminologie

2.2.1. Inzakking "c" (uitgedrukt in mm)

Men noemt inzakking “c” de afstand tussen het niveau dat door de steunen van het kanaal gaat en het niveau dat door het laagste punt van het onderste oppervlak van de mantel gaat, na toepassing van de belasting “F”. (Zie Fig. C14.2.-1)

 
Fig. C14.2.-1
 

 2.2.2. Vervorming "s" (uitgedrukt in mm)

Men noemt vervorming “s” van elk van de vier zijden van een rechthoekig kanaal, de afstand tussen het oppervlak S dat deze zijde bevat vóór de toepassing van de belasting F en van de mechanische proefdruk “pc” en het verst verwijderde punt van dezelfde zijde van het oppervlak S na toepassing van deze belastingen. (Zie Fig. C14.2.-2)​




Fig. C14.2.-2

 2.2.3. Voeg

Men noemt voeg de samenhechting van twee plaatboorden door lassen, overlapping of vasthaken.

 2.2.4. Verbinding

Men noemt verbinding de dwarsverbinding tussen twee kanaalelementen.

 2.2.5. Proefdrukken (uitgedrukt in Pa)

Men onderscheidt :

  • de mechanische proefdruk "pc", door de constructeur gekozen, die het kanaal zonder beschadiging moet doorstaan tijdens de proef.
  • de dichtheidsproefdruk "pu", toegepast bij de uiteindelijke meting van de dichtheid, bestemd om, na toepassing van de belastingen F en pc, het gedrag na te gaan van de voegen en verbindingen. Deze druk is gelijk aan 400 Pa, 1.000 Pa of 2.000 Pa, naargelang de geteste kanalen bestemd zijn voor respectievelijk lage druk, middendruk of hoge druk.

2.3. Proefmethode

 2.3.1. Inlichtingen te leveren door de constructeur

De constructeur levert de volgende inlichtingen :

  • maximum toelaatbare ophangingsafstand (ln), uitgedrukt in mm
  • mechanische proefdruk (pc), uitgedrukt in Pa
  • maximum toelaatbaar gewicht van de thermische isolatie (mi), uitgedrukt in N

2.3.2. Proefmaterieel

2.3.2.1. Bepaling van de inzakking

Het beproevingstoestel dat de belasting toepast en de inzakking bepaalt, is in principe vervaardigd als volgt :

a. Rechthoekige kanalen

De uiteinden van de kanalen rusten op twee cilindrische steunen waarvan de aslijnen evenwijdig zijn, gesitueerd zijn in eenzelfde horizontaal vlak en loodrecht staan op de as van het kanaal; in het midden van het bovenste deel van het kanaal wordt een lineaire belasting toegepast.

b. Ronde kanalen

Het toestel is identiek, maar de steunen en de stang voor het overbrengen van de belasting zijn gebogen en bedekken een vierde van de omtrek van het kanaal.

Een voorbeeld van een beproevingstoestel wordt voorgesteld op Fig. C14.2.-3. Het beproevingstoestel wordt op zulke wijze vervaardigd dat enkel de verticaal gerichte krachten overgebracht worden op het kanaal. De stang voor het overbrengen van de belasting en de stangen voor het ondersteunen van het kanaal hebben een straal die kleiner is dan of gelijk is aan 25 mm.

De gewichten, drukcilinders of andere inrichtingen die dienen om de belasting toe te passen, zijn zodanig bestudeerd dat de afwijking niet meer dan ± 10 N bedraagt.​


 Fig. C14.2.-3

 2.3.2.2. Bepaling van de vervorming “s”  en van de weerstand van de voegen en verbindingen

Het principe van het beproevingstoestel wordt voorgesteld op Fig. C14.2.-4.

De ventilator moet een statische druk kunnen opleveren van minstens 1,5 keer de mechanische proefdruk en een debiet dat 10 % groter is dan het toelaatbare lekdebiet onder deze druk.​

 
 Fig. C14.2.-4


 Andere, gelijkwaardige toestellen waarmee men de lekdichtheid van kanalen test zijn toegestaan indien men de methodes volgt van NBN EN 12237, NBN EN 1507 en NBN EN 12599. Alle voorschriften van de lektesttoestelfabrikant dienen in acht genomen te worden.

 2.3.2.3. Nauwkeurigheid van de meetinstrumenten

​Gemeten grootheid Toegelaten maximale afwijking​
​Lengte ​1 mm
​Druk ​2 % (max. 3 Pa)
​lekdebiet ​0,1 l/s voor gemeten waarden ≤ 2 l/s en voor 5% voor gemeten waarden > 2 l/s
  

2.3.3. Voorbereiding

Het onder punt 2.3.2.1. beschreven beproevingstoestel wordt zodanig gemonteerd dat de afstand tussen de steunpunten (lp) gelijk is aan (ln – 50 mm) ± 50 mm.

Na gewogen te zijn geweest, wordt het kanaal op de steunen geplaatst. De rechthoekige kanalen moeten geplaatst worden op de kant die bestemd is om de onderzijde van het kanaal te vormen.

De kanalen die bestemd zijn om aan elke verbinding bevestigd te worden, worden zodanig geplaatst dat er een verbinding is aan de buitenkant van elke steun. (Zie Fig. C14.2.-5)

 
 Fig. C14.2.-5

 De andere kanalen worden zodanig geplaatst dat zich een verbinding bevindt in het midden tussen de steunen. (Zie Fig. C14.2.-6) 



Fig. C14.2.-6 
​ 

Men sluit de uiteinden van het kanaal af en men sluit het onder punt 2.3.2.2. beschreven proefmateriaal aan.

De afstand tussen een vlak referentie-oppervlak en een ander vlak oppervlak dat door de steunstangen gaat, wordt gemeten en men tekent deze metingen op (co ). (zie Fig. C14.2.-1)

2.3.4. Bepaling van de inzakking "c"

Indien de kleinste afmeting van het kanaal (of zijn diameter) minder bedraagt dan 600 mm, past men in het midden volgende belasting toe :

  • niet-geïsoleerde kanalen :

F1 = 1,3 mk met een minimum van 250 N

  • geïsoleerde kanalen :

F2 = 1,3 mk + 1,9 mi met een minimum van 250 N

waarin :

mk = gewicht van het niet-geïsoleerde kanaal (N)

mi = gewicht van het isolatiemateriaal (N)

Na een minuut meet men de afstand tussen het laagste punt van het kanaal en het referentiepeil en men tekent de bekomen meting op (c1). Het verschil tussen deze meting (c1) en de voordien opgetekende meting (co : zie 2.3.3.), vormt de inzakking “c” van het kanaal (c = |c1 -co|).

Indien de kleinste afmeting van het kanaal (of zijn diameter) groter is dan of gelijk is aan 600 mm, past men in het midden, zoals in het eerste geval, de hierboven bepaalde verticale belasting F1 of F2 toe.

Na een minuut wordt de belasting F = 2.400 N toegevoegd en na nog een minuut meet men de afstand tussen het laagste punt van het kanaal en het referentiepeil en men tekent de bekomen maten op (c1).

Het verschil tussen deze meting (c1) en de voordien opgetekend meting (co : zie 2.3.3.), vormt de inzakking “c” van het kanaal (c = |c1 –  co|).

2.3.5. Bepaling van de vervorming "s" en van de weerstand van de voegen en verbindingen

Na het wegnemen van de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, past men eerst een inwendige druk toe die gelijk is aan 1,5 maal de door de constructeur opgegeven mechanische proefdruk (pc), en men behoudt hem gedurende 5 minuten.

Voor de rechthoekige kanalen brengt men vervolgens de inwendige druk terug op de waarde pc en men meet de vervorming “s” van de vier zijden van het kanaal.

 Men brengt tenslotte voor alle kanalen de druk terug op 400, 1.000 of 2.000 Pa (pu), naargelang de kanalen bestemd zijn voor lage-, midden of voor hoge druk, en men bepaalt de lekfactor volgens de methode beschreven in art. E5. par. 5. van dit bestek.

2.3.6. Proefverslag

 Het verslag moet minstens de volgende inlichtingen verschaffen :

1. Fabrikant, materialen van de kanalen, dikte van de wanden, eventuele verstevigingsmiddelen, constructie van de voegen en verbindingen (te preciseren met gedetailleerde tekeningen van het monster).

2. Dwarse en overlangse binnenafmetingen, alsook zijoppervlakte van het monster. Positie van het kanaal, voor de rechthoekige kanalen.

3. Gewicht van het kanaal (gemeten) en van het isoleermiddel (berekend).

 4. Afstand tussen de steunen.

5. Andere inlichtingen die eventueel nodig zijn voor de beoordeling van het monster, bijvoorbeeld het model en de constructie van het proefmateriaal, de wijze van belasting, enz...

6. Belasting en inzakking "c".

7. Proefdrukken pc en pu, en lekfactor "f".

8. Vervorming "s" voor de rechthoekige kanalen.

9. Omschrijving van de eventuele beschadigingen.

10. Datum en plaats van de proef, naam van de onderzoeker.

2.4. Criteria

2.4.1. Inzakking

Onder de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, naargelang van het geval, mag de inzakking “c” niet hoger zijn dan 1 % van ln, ln zijnde de toegelaten maximale afstand tussen de steunpunten.

 2.4.2. Vervorming

Onder de proefdruk pc mag de vervorming “s” van een zijde van een rechthoekig kanaal nooit hoger zijn dan de volgende waarde :​

 
breedte x van de zijde (mm) ​x ≤ 300 300 < x < 450 450 ≤ x < 600 x ≥ 600
vervorming s (mm)​​ 10​ 12 15​ ​20
 

 2.4.3. Voegen en verbindingen

De voegen en verbindingen moeten weerstand bieden aan de toepassing van de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, vervolgens aan de gelijktijdige toepassing van deze belasting en van de proefdruk pc.

Er wordt beschouwd dat de voegen en verbindingen weerstand bieden indien het kanaal na toepassing van deze belastingen voldoet aan de dichtheidsproef beschreven in art. E5. par. 5 van dit bestek.

2.5. Geldigheid van de proef voor een bepaalde aanneming

De aannemer levert aan de bouwheer een verslag van de proef uitgevoerd volgens bovenvermelde voorschriften, ofwel in een onafhankelijk laboratorium, ofwel in de werkplaats van de constructeur onder controle van een erkend organisme.

De proef moet het gehele gamma van de te installeren kanalen omvatten, d.w.z. dat ze moet worden uitgevoerd voor elk constructietype.

a. voor de rechthoekige kanalen

  • op een kanaal dat als hoogte de kleinste hoogte van alle te installeren kanalen heeft, of een kleinere hoogte
  • op een kanaal dat als hoogte de grootste hoogte van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere hoogte
  • op een kanaal dat als breedte de grootste breedte van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere breedte

 b. voor de ronde kanalen

  • op een kanaal dat als diameter de kleinste diameter van alle te installeren kanalen heeft, of een kleinere diameter
  • op een kanaal dat als diameter de grootste diameter van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere diameter

De mechanische proefdruk (pc) moet positief of negatief zijn, naargelang de effectieve statische druk bij werking zelf positief of negatief is. De absolute waarde van de mechanische proefdruk moet minstens gelijk zijn aan de absolute waarde van de maximale effectieve statische druk, zonder ooit kleiner te zijn dan 500 Pa.

Tijdens de uitvoering der werken mag de afstand tussen de steunen van de horizontaal geplaatste kanalen uiteraard niet groter zijn dan de waarde die door de constructeur als maximaal wordt opgegeven (ln) en die in het proefverslag is opgenomen.

De steunen worden geplaatst op de plaats van de verbindingen of ertussen, naargelang de proefinrichting overeenstemt met Fig. C14.2.-5 of met Fig. C14.2.-6.​