3. Verwerking en plaatsing

3.1. Opbouw van de speciale stukken

3.1.1. Bochten en verloopstukken

De bochten en verloopstukken worden vervaardigd conform met de normen NBN EN 1505 en NBN EN 1506, rekening houdend met volgende bijkomende eisen:

3.1.1.1. Rechthoekige kanalen

  • De bochten moeten beantwoorden aan de figuren Fig. C14.2.-7 en Fig. C14.2.-8 met als kromteschaal aan de binnenzijde r = 100 mm.​


Fig. C14.2.-8  e ≥ 25 mm
r = 100 mm 
l =(0,5 a + r ) tg /2 + 2
 Fig. C14.2.-7

 

  • Het gebruik van transformatiebochten op 90° zijn niet toegelaten.
  • Alle bochten van grote afmetingen moeten uitgerust worden met leischoepen, conform onderstaande tabel, wat hun aantal en plaatsing betreft.​

​Kanaalbreedte in mm ​Aantal leieschoepen Afstand tussen de leieschoepen (mm)​ ​ ​
​a1 ​a2 ​a3
​ 400 < a ≤​ 800 ​1 ​a/3 ​-- ​--​​
​ 800 < a ≤​ 1600 ​2 ​a/4 ​a/2 ​--
​1600 < a ≤​ 2000 ​3 ​a/8 ​a/3 ​a/2
 

 Tab. C14.2.-2

De verloopstukken, concentrische en excentrische, tussen rechthoekige kanalen worden

uitgevoerd conform de figuren Fig. C14.2.-9 en Fig. C14.2.-10.

De hoek  moet ≤ 30°.​


 
​Fig. C14.2.-9 ​​Fig. C14.2.-10
 

De verloopstukken, concentrische en excentrische, tussen een rechthoekig kanaal en een rond kanaal worden uitgevoerd conform de figuren Fig. C14.2.-11 en Fig. C14.2.-12.

De hoek  moet ≤ 30°.



e ≥ 25 mm
Fig. C14.2.-11
​​e ≥ 25 mm
Fig. C14.2.-102
 

 3.1.1.2. Ronde kanalen

  • Alle hulpstukken (bochten, verloopstukken, ...) alsook de zijdelingse vertakkingen en aansluitingen moeten in de fabriek geprefabriceerd worden.
  • Tot en met de nominale diameter van 200 mm moeten afgeronde bochten gebruikt worden. Daarboven mogen segmentbochten worden toegepast. Voor kanaalnetten in andere materialen dan gegalvaniseerd staal mogen segmentbochten toegepast worden ongeacht de nominale diameter.
  • De kromtestraal van de bochten (rm in mm) wordt gegeven door volgende tabel, ontleend aan de NBN EN 1506.

​Nominale diameter (d1) ​rm
 ≤ ​100​ ​100
​> 100 ​d1
 

 De niet-geperste verloopstukken, concentrische en excentrische, worden vervaardigd conform de figuren Fig. C14.2.-13 en Fig. C14.2.-14.

De hoek  moet ≤ 30°.


l=(d1-d2)/[2 tan ( /2)]
Fig. C14.2.-13
l=(d1-d2)/ tan  
Fig. C14.2.-134

 

Geperste verloopstukken (hierop geldt geen beperking van α) mogen slechts gebruikt worden indien de leverancier kan bewijzen dat de geperste verloopstukken een lager totaal drukverlies teweegbrengen dan een niet-geperst verloopstuk met dezelfde doorsnedeverandering. De bewijzen worden voor de verwerking van de geperste verloopstukken op de werf afgeleverd aan de leidend ambtenaar.

 3.1.2. Vertakkingen en aansluitingen

3.1.2.1. Terminologie

Voor de hierna gebruikte terminologie moet men zich richten naar de volgende figuren (de pijl geeft de richting van de luchtstroming aan):



 3.1.2.2. Rechthoekige kanalen

De zijdelingse vertakkingen en aansluitingen kunnen verwezenlijkt worden op twee verschillende wijzen :

  • ofwel met een doorgaande tak met gelijkblijvende doorsnede en een afgeleide of toegevoerde "cilindrische" tak die met de doorgaande tak een hoek vormt van 90° ; geen enkel orgaan leidt de luchtstroom in de afgeleide of toegevoerde tak. (Zie Fig. C14.2.-16)​


  • ofwel met een afgeleide of toegevoerde tak bestaande uit een genormaliseerde bocht, waarbij de snelheden gelijk zijn in de drie doorsneden.(Zie Fig. C14.2.-17)

 

 Fig. C14.2.-17

 De vertakkingen en aansluitingen in T-vorm zijn opgebouwd door middel van twee naast elkaar geplaatste genormaliseerde bochten, waarbij de snelheden gelijk zijn in de drie doorsneden. (Zie Fig. C14.2.-18)


 Fig. C14.2.-18


 3.1.2.3. Ronde kanalen

De zijdelingse vertakkingen en aansluitingen bevatten steeds een doorgaande tak met gelijkblijvende doorsnede en een afgeleide of toegevoerde "cilindrische" tak die met de doorgaande tak een hoek vormt van 90°.

Zij bestaan uit een speciaal stuk van het type “geperste aftakking” (zie Fig. C14.2.-19) tot en met een diameter van 630 mm voor de doorgaande tak of van het type “conische aftakking” (zie Fig. C14.2.-20) voor nominale diameters van meer dan 630 mm.


​r ≥ 10 mm
l3 > 0,5 d + r
d ≤ 630
Geperste aftakking
Fig. C14.2.-19
s > 0,15 d3
l3 > 0,5 d + s
d > 630
Conische aftakking
Fig. C14.2.-120
 

 Ze mogen eveneens bestaan uit een speciaal stuk van het type “T-stuk met concentrisch geperste aftakking” (zie Fig. C14.2.-21) tot en met een diameter van 630 mm voor de doorgaande tak.


l1 > 0,5 d3 + r d1 ≤ 630 mm

l3 > 0,5 d1 + r r ≥ 10 mm

Fig. C14.2.-21

Of van het type “T-stuk met conische aftakking” (zie Fig. C14.2.-22) voor nominale diameters > 630 mm.

​a) Conische
 aftakking
​b) Tangentiële
aftakking
​l1 > 0,5 d3 + s
l3 > 0,5 d1 + s
s > 0,15 d3
d1 > 630 mm​
 
3.2. Samenvoeging van de kanaalelementen

3.2.1. Rechthoekige kanalen

De contactoppervlakken bij de verbindingen tussen kanaalelementen moeten stijf en recht gemaakt worden.

De verbindingen gebeuren met tussenplaatsing van een voegband of dichtingsproduct.

Deze voegband moet soepel en elastisch blijven in de tijd en de vereiste dichtheid waarborgen.

De voegbanden van synthetisch schuim moeten gesloten cellen hebben.

De kanalen worden mechanisch met elkaar verbonden door middel van een bout-moer verbinding op elke hoek van de flens. Tevens wordt er aan elke zijde van het kanaal een bijkomende verbinding op de flens gemaakt, hetzij met schuiflatveren, hetzij met kanaalklemmen. De afstand tussen deze bijkomende verbindingen mag in geen enkel geval groter zijn dan de voorgeschreven afstand van de kanaalproducent, met een maximum van 40 cm.

Tenzij anders bepaald in het bijzonder bestek worden zichtbare kanalen in bezette zones steeds door schuiflatveren verbonden, en dit over de gehele lengte van de flens.

3.2.2. Cirkelvormige kanalen

De samenvoeging gebeurt ofwel met flenzen, ofwel met moffen.

  • De verbindingen met flenzen gebeuren met tussenplaatsing van een voeg of dichtingsproduct zoals beschreven onder 3.2.1..
  • Bij verbindingen met moffen wordt de dichtheid verzekerd door in het fabriek aan alle “mannelijke” verbindingsstukken en aan alle “mannelijke” uiteinden van de geprefabriceerde speciale stukken dichtingsringen in EPDM rubber te bevestigen.

Verbindingen met moffen zonder de hierboven vermelde dichtingsringen mogen eveneens toegepast worden op voorwaarde dat de voegen bijkomend afgedicht worden door op de buitenzijde van de luchtkanalen aangebrachte elastische, zelfklevende, koud verwerkbare en vochtbestendige afdichtingstape van minimaal 50 mm breed. Deze afdichtingstape bestaat uit een butylkleeflaag van ca. 1 mm op een drager van polyethyleen, met een densiteit van min. 1.7 g/cm3 en een bonding time van maximaal 24 uur.

Voor buitengebruik wordt de butylkleeflaag van ca. 1 mm gedragen door een waterbestendige gesiliconeerde aluminiumfilm.

De verbindingsstukken moeten de toleranties respecteren die vermeld zijn in punt 6 van de norm NBN EN 1506.

3.2.3. Waterdichte verbindingen

Bij kanalen die instaan voor het transport van lucht die met vet- en/of vochtdeeltjes beladen is (vb. hernomen lucht van dampkappen, vaatwas, enz..) moet de verbinding tussen de kanaalstukken waterdicht zijn (teneinde lekkage te vermijden), bv. door lassen of tussenplaatsing van een waterdichte afdichting.​